foto voor trainingsacteren kennisbank 1885x1060

Trainingsacteur kennisbank

Een trainingsacteur kennisbank is handig om alle werkspecifieke termen en uitdrukkingen te kunnen leren. Helemaal wanneer je gaat werken met een trainingsacteur of gaat oefenen met een trainingsacteur. Dus daarom vind je hieronder een opsomming van de meestvoorkomende termen voor het werken met een trainingsacteur of oefenen met een trainingsacteur.

A – B

Aanbod – De input die je als speler inbrengt in de scène. Wanneer jij tijdens het spel zegt dat je “een zoon hebt” dan is dat jouw aanbod. Je tegenspeler dient dat dan als waarheid te accepteren. Hij kan dus niet zeggen “Dat is niet zo”. Je kunt in een scène een aanbod doen en een aanbod krijgen. Wanneer je een aanbod krijgt dien je dat dus ook te accepteren.

ABCD-gedrag – Verschillende vormen van negatief gedrag volgens het ABCD-Model.

ABCD-Model – Een model om negatief gedrag te kunnen plaatsen. Het negatieve gedrag wordt onderverdeeld in vier groepen. A, B, C en D-Gedrag. Afhankelijk van onder welk gedrag het negatieve gedrag valt weet je hoe je op dat gedrag dient te reageren. Het ABCD-Model is onderdeel van een methodiek die ontwikkeld is voor en in samenwerking met het Korps Landelijke Politiediensten. 

Accepteren – 1) Het aanvaarden van een aanbod tijdens een scène. 2) Het aanvaarden van feedback.

Achtergrond – Alle ervaringen (gezien, gehoord, geproefd, geroken, gevoeld), gedachten en contacten die je hebt gehad en de omstandigheden waarin je hebt verkeerd vanaf jouw geboorte tot aan dit moment.

Afwijzen – Een aanbod in eens scène niet accepteren.

Betrekkelijk niveau – Dit gaat over het hoe van het wat. Oftewel hoe werd de inhoud gebracht, of hoe dien ik de inhoud tot mij te nemen. (Zie ook inhoudelijk niveau)

C – D

Casus – Een voorbeeld van een situatie. Dit kan een standaard casus zijn of een zelf ingebrachte casus.

Coach – Een persoon die een andere persoon of andere personen wilt helpen groeien en hen, hem of haar daarin begeleidt. Dit kan op allerlei vlakken zijn. Het doel van een coach is dus om de mogelijkheden van de Coachee zo goed mogelijk te benutten.

Coachee – Iemand die gecoacht wordt.

Communicatie – Uitwisselen van informatie.

Cursisten – Personen die een cursus volgen.

Cursusmateriaal – Het materiaal dat cursisten ontvangen en wat tijdens de cursus behandeld/besproken wordt.

Denkniveau – De kwaliteit van denken van een persoon. Meestal wordt het denkniveau bepaald op basis van de genoten opleiding. Heb je een afgeronde mbo-opleiding? Dan zegt men dat je een mbo denkniveau hebt, maar dit betekent niet dat dit je maximale denkniveau is.

Dienend acteren – Spel dat in dienst staat van het leerproces van de cursist.

Dienstverlening – hulp die een persoon, instantie of onderneming biedt aan het publiek.

DISC-Methode – is een model waarmee menselijk gedrag en drijfveren in kaart gebracht kunnen worden. Het werd ontwikkeld door de Amerikaanse psycholoog William Moulton Marston die er in 1928 over publiceerde in zijn boek Emotions of Normal People.

Discipline – Een vakgebied

E – F

Empathie – De kwaliteit van het in kunnen leven in de situatie, het gevoel, het gedrag of de denkwijze van een ander.

En gestopt – Een term die een trainer of coach kan gebruiken om een scène te laten stoppen.

Enthousiasmeren – Bezieling brengen in iemand. Als in: “Iemand enthousiast maken.”

Feedback geven – Terugkoppeling geven op gedrag of op dat wat gezegd is

Feedback in rol – Terugkoppeling geven vanuit het personage dat de trainingsacteur gespeeld heeft. De trainingsacteur zit dan nog in zijn rol en praat en doet als het personage.

Feedback uit rol – Terugkoppeling geven vanuit het personage dat de trainingsacteur gespeeld heeft. De acteur is dan uit zijn rol en praat over het personage als een derde persoon.

Flexibel – Niet stroef. Slaat op hoe makkelijk een trainingsacteur aanwijzingen aanneemt van een trainer/coach of coachee.

Functioneringsgesprekken – Gesprekken die in bedrijven worden gevoerd tussen medewerkers en hun leidinggevende. Deze gesprekken gaan over hoe de medewerker zijn werk doet en hoe hij of zij zich gedraagt op het werk.

G – H

Geloofwaardig spel – Spel van de acteur dat de kijker en medespelers ervaren alsof het echt is. Geloofwaardig spel kan ervoor zorgen dat de cursist wordt meegenomen in het spel waardoor hij of zij vergeet dat er mensen om hen heen zitten mee te kijken.

Gesprekstechnieken – Het bewust hanteren van een bepaalde volgorde in een gesprek.

Gevoel – Als trainingsacteur dien je gevoel mee kunnen nemen in je spel. Met gevoel wordt je spel geloofwaardig voor de cursist en de toeschouwers.

Gewenst gedrag – Het gedrag dat de cursist of de trainer/coach graag van de trainingsacteur wilt zien. Of het gedrag dat de trainer/coach van de coachee wilt zien.

Handeling – Een actie uitvoeren tijdens je spel. Wanneer je de kans hebt, ga dan iets doen tijdens een scène. Dit in plaats van stil te gaan zitten wachten tot er gepraat gaat worden. Speel je een medewerker in een fabriek? Ga dan staan en doe een handeling die past bij het personage en de functie die het personage heeft.

Helikopterview – De kunst om een gesprek waaraan je hebt deelgenomen van boven te kunnen bekijken (als vanuit een helikopter) en daarbij vanuit die helikopter feedback te kunnen geven over wat er in het gesprek gebeurde.

Hulpmiddel in leerproces – Als trainingsacteur sta je volledig in dienst van dat wat de cursist wilt leren. Ik zeg altijd: “Bij wiskunde gebruik je een geo-driehoek. Een brandweerman gebruikt een spuit en een bijl. Jij als cursist gebruikt nu mij als tool om dat te leren wat jij wilt leren”

Humor – Ontzettend belangrijk binnen het vak van trainingsacteur. Humor haalt de scherpe kantjes van een moeilijk gesprek of moeilijke situatie af. Dankzij humor ontdooien cursisten waardoor ze zich open stellen en durven te oefenen.

I – J

Impro – Acteren zonder script. Vooraf krijg je input van de cursist of de trainer en soms ook een kader waarbinnen je dient te blijven. Verder kun je vrijuit spelen.

Improvisatie – Zie impro.

In dienst van – Je spel dient zodanig te zijn dat de cursist er van leert. Het acteren gaat er niet om dat jij goed acteert. Het gaat erom dat de cursist leert waarvoor hij aanwezig is.

In karakter – Acteur is het personage.

Inhoudelijk niveau – Dit gaat over het wat. Wat wordt er gezegd? Oftewel de informatie, inhoud van een gesprek of bericht.

Inleven – Het kunnen verplaatsen in de rol, de situatie of het gevoel van een personage of een ander.

Input – De informatie die je vooraf ontvangt. Op basis van de input dien jij je rol en je spel neer te zetten.

Input vragen – Voordat je gaat speel vraag je input aan de cursist. Zodoende weet jij wat de situatie is waar jij je in bevindt. Wat voor type jouw personage is en wat het leerdoel is van de cursist.

Inzicht – Iets door krijgen, iets begrijpen. Bewust worden.

Jouw leermoment – Wanneer een cursist aan de beurt is om met een trainingsacteur te gaan oefenen draait alles om zijn leermoment. De focus ligt dan dus bij de cursist en zijn leermoment.

K – L

Kapstokje – Tijdens een scène geef ik als trainingsacteur in mijn spel kleine aanwijzingen die de cursist kunnen helpen om zijn leerdoel te bereiken. Ik noem dat kapstokjes. Het is aan de cursist om die kapstokjes te pakken.

Kernkwadrant – Dit is een model dat is ontwikkeld door de Nederlander Daniël Ofman. Kernkwadranten maken inzichtelijk wat jouw (kern)kwaliteiten, valkuilen, uitdagingen en allergieën zijn.

Klanttevredenheid – Hoe blij een klant is naar aanleiding van jouw werk, gedrag en service.

Klantvriendelijkheid – De tevredenheid van klanten hoog in het vaandel hebben staan en een hoog streven naar service voor die klanten hebben.

Kneedbaar – Een trainingsacteur die kneedbaar is, is flexibel. Hij pakt makkelijk aanwijzingen van de trainer, of nieuwe input van cursist op.

Leerdoel – Dat wat de cursist wilt leren.

Leerervaring – Dat wat de cursist meemaakt (ervaart) tijdens het spel, tijdens de scène.

Leervraag – Een vraag die de cursist zich voor aanvang van het spel kan stellen om vervolgens tijdens het spel op zoek te gaan naar het antwoord op zijn leervraag.

LSD Luisteren, Samenvatten, Doorvragen. Een gesprekstechniek.

M – N

Meerdere ervaringen – De kracht van werken met een trainingsacteur is dat de cursist meerdere ervaringen kan opdoen binnen een exact dezelfde situatie. Dit is in het echte leven onmogelijk.

Mens van vlees en bloed – Een trainingsacteur reageert altijd vanuit zijn gevoel. Alles wat hij doet is een reactie op wat jij doet. Blijft de acteur boos? Dan doe jij dus iets waardoor de acteur boos blijft. Hij zal meebewegen met wat jij doet.

Natuurlijk spel – Spel van de acteur dat geloofwaardig is.

Non-verbale communicatie – Het uitwisselen van boodschappen zonder het gebruik van woorden.

O – Q

Ondergeschikt – Minderwaardig.

Ontwikkelingsproces – De diverse stadia van een ontwikkeling.

Organisatiekennis – De specifieke informatie voor een organisatie. Hieronder vallen regels, gewoonten, wetten en cultuur van een organisatie.

Overzicht – Meerdere zaken of dingen en hun onderlingen verhoudingen tegelijk kunnen zien, voelen en ervaren.

Proces niveau – Gebeurtenis niveau. Hierbij gaat het over wat er gebeurt en hoe het gebeurt.

R

Reactie op actie – Gevolg van iets dat gebeurt. Een trainingsacteur zal in de meeste gevallen alleen een reactie geven op wat de cursist doet of zegt of niet doet of zegt.

Referentiekader – Alle ontmoetingen en ervaringen van een persoon en alles wat je ooit hebt ervaren, gehoord, gevoeld, gedaan, gezegd, geroken, geproefd, gezien, gedacht en bedacht en al hun onderlinge samenhangen op alle specifieke momenten waarop dat alles gebeurde, tezamen. Elk referentiekader is dus uniek. Oftewel jij bent uniek.

Roos van Leary – De interpersoonlijke cirkel. Dit is een model dat veel wordt gebruikt in de trainingswereld en dan met name op het gebied van persoonlijke groei. Dit model geeft een beeld van gedrag ten opzichte van een ander persoon en kreeg vooral bekendheid door Timothy Leary.

Rugzak – De ervaringen uit iemands leven. Deze term wordt ook gebruikt als omschrijving van dat wat je kunt. “Je kunt het in je rugzak doen en gebruiken wanneer je het nodig hebt”

Sa – So

Salestraining – Verkooptraining.

Scène – De interactie tussen de cursist en de trainingsacteur vanaf het begin tot wanneer het is stopgezet.

Service – De mate van dienstverlening.

Slecht nieuws gesprekken – Gesprekken waarin je als doel hebt om een vervelend bericht te delen.

SMART – Een term voor het opstellen van doelen en afspraken. SMART is een acroniem voor de woorden: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden. Oftewel een afspraak of doel moet SMART zijn.

Sociaal – Rekeninghoudend met andere mensen.

Sollicitatiegesprekken – Gesprekken die worden gevoerd tijdens de selectie van nieuwe medewerkers.

Sp – Su

Speeltuin – Een plaats of ruimte om te kunnen spelen. Dit is de manier om te kijken naar het oefenen met een trainingsacteur. Alles wat je doet is namelijk onderdeel van het leerproces. Er is geen goed of fout. Alle ervaringen helpen mee aan het verkrijgen van inzicht en het bereiken van groei.

Spel – Werken met een trainingsacteur en oefenen met een trainingsacteur gaat niet om goed of fout of om winnen of verliezen. Het is een spel met als enige doel het opdoen van ervaringen.

Speler – Deelnemer aan het spel.

Standaard casus – Een oefensituatie die de trainer en de trainingsacteur van te voren hebben besproken en waarmee de cursisten kunnen oefenen in het geval ze zelf geen casus in willen of kunnen brengen.

Stilte – Ruimte tot nadenken en zelfreflectie. Goed om te gebruiken tijdens een scène.

Stopzetten – Dit is een belangrijk onderdeel van het werken met een trainingsacteur. Wanneer je als cursist beseft dat het spel van de trainingsacteur niet het gedrag is waar jij op wilt oefenen, dan kun je te allen tijde het spel stopzetten. Je kunt na het stopzetten de acteur nieuwe of extra input geven zodat zijn spel wel overeenkomt met jouw wensen.

Sturen – Richting geven aan het spel van de acteur. Dit kan gebeuren door de trainer of de cursist.

Succeservaring – Het moment waarop de cursist ervaart dat hij dat wat hij wilde leren heeft toegepast. Hij ervaart succes.

T – U

Terugpakken – Nadat een scène is stopgezet kan diezelfde scène opnieuw worden begonnen vanaf een bepaald moment in die scène. De cursist heeft dan de mogelijkheid om een andere ervaring op te doen dan de eerste ervaring. Dit is een van de meest krachtige onderdelen van het werken met een trainingsacteur.

Time-out – Term uit de sport. Tijdens een scène kunnen de trainer, de cursist of de trainingsacteur de scène tijdelijk stopzetten. Ze nemen dan een time-out. Dit doen ze door “Time-out” te zeggen. Er kan dan extra input worden gegeven of gevraagd. Vervolgens kan de scène verder gaan, worden teruggepakt, vooruit gespoeld of definitief worden gestopt.

Tips – Situaties of gedrag in een scène waarvan de trainingsacteur het idee heeft dat die beter kunnen. Na een scène krijgt de cursist feedback van de trainingsacteur. Dit zal meestal bestaan uit tops en tips.

Toeschouwer – De cursisten die niet deelnemen aan de scène.

Tool – Hulpmiddel zoals bijvoorbeeld een gesprekstechniek.

Tops – Situaties of gedrag in een scène die een trainingsacteur als positief ervoer. Na een scène krijgt de cursist feedback van de trainingsacteur. Deze feedback zal meestal bestaan uit tops en tips.

Trainer – De persoon die leiding geeft aan een training of cursus.

Trainingsacteur – Een acteur die tijdens een training of cursus zijn spel in dienst zet van het leerproces van een cursist of trainee.

Uit karakter – Acteur is uit het personage.

Uitproberen – Iets doen wat je nog niet eerder hebt gedaan of geprobeerd. Dit is een belangrijk onderdeel van het werken met een trainingsacteur.

V – W

Vakinhoudelijk niveau – Professioneel niveau. Hierbij gaat het over de inhoud van het vak.

Vakinhoudelijke kennis – De kennis die je nodig hebt om een bepaald vak uit te kunnen oefenen.

Veilige omgeving – Wanneer de cursisten durven te oefenen en zichzelf te durven laten zien dan spreek je van een veilige omgeving.

Veilige sfeer – Het gevoel dat het veilig is om te gaan oefenen. Cruciaal binnen het vak van trainingsacteur.

Veiligheid – Het gevoel dat je als cursist niet bang hoeft te zijn voor negatieve gevolgen of reacties op dat wat je zegt of doet.

Verbale communicatie – Communicatie door middel van woorden en/of geluiden.

Verbinden – Op een diepere laag in contact komen met een mens, wezen, gedachte of energie. Wanneer je iemand tegenkomt dan kom je in contact met iemand, hoe vluchtig dat contact ook is. Wanneer je je verbindt dan heb je op een diepere laag contact gemaakt. Hiervoor is communicatie nodig.

Ben je op zoek naar meer verbinding in je leven? Neem dan een kijkje op KingofConnecting.com. King of Connecting geeft tips en cursussen op het gebied van verbinding. Zoals bijvoorbeeld de cursus STOP Ongewenst Gedrag. Deze cursus is tijdelijk gratis te volgen.

Werkniveau – De mate van kwaliteit van werk.

X -Y – Z

Zelf ingebrachte casus – Een situatie om mee te oefenen die door de cursist zelf wordt aangedragen.

Mis jij in deze trainingsacteur kennisbank een term die gebruikelijk is voor het werken met een trainingsacteur of het oefenen met een trainingsacteur? Of heb je vragen over een term of uitdrukking die in deze trainingsacteur kennisbank staat? Stuur me dan een mailtje op info@bjorne.nl.

Wil je werken met een trainingsacteur?

Wil je oefenen met een trainingsacteur?